Hierbij mijn checklist van het thema Hersenen in actie.
vrijdag 18 november 2011
Checklist hersenen in actie
Hierbij mijn checklist van het thema Hersenen in actie.
Hersenen in actie taal III
Tijdens deze les hebben wij feedback gekregen op onze posters. Dit gebeurde in groepjes van ongeveer 3 studenten. Wij hebben aan elkaar verteld hoe het groepsplan eruit ziet dat wij hebben gemaakt. Op deze manier kon je elkaar feedback geven. Ik heb hierdoor enkele nieuwe inzichten gekregen voor mijn toepassingskaart.
Wat heb ik hiervan geleerd?
Ik weet nu hoe ik mijn groepsplan voor de zorgroute van taal kan verbeteren en wat ik er nog aan moet veranderen om hem beter te maken.
Wat ben ik van plan met deze kennis/inzichten te gaan doen?
Ik ben van plan om mijn groepsplan verder te verbeteren.
Hersenen in actie taal II
Tijdens deze les ontvingen wij de nieuwe toepassingskaart voor de zorgroute van taal. Deze kaart hebben wij besproken en wij hebben hier een oefening omheen gedaan. Het was nieuw voor mij om goed te zien waar een groepsplan uit bestaat en welke informatie je erin terug kunt vinden.
Wat heb ik hiervan geleerd?
Ik heb van deze les geleerd hoe een groepsplan in elkaar zit en welke informatie je erin terug kunt vinden. Ook heb ik geleerd wat ik met de toepassingskaart moet gaan doen en wat er van mij verwacht wordt.
Wat ben ik van plan met deze kennis/inzichten te gaan doen?
Ik ben van plan om in mijn stageklas aan de slag te gaan met de toepassingskaart. Ik denk dat ik veel stappen nu al uit kan voeren dankzij de goede uitleg. Ook zal ik het groepsplan, dat ik al van mijn mentor heb gekregen, nu beter begrijpen.
Hersenen in actie rekenen II
Deze les ging over het clusteren van leerlingen met bepaalde onderwijsbehoeftes. Allereerst werd het voorbeeld gegeven van onderwijs van vroeger, vroeger werden er alleen klassikale lessen gegeven. Tegenwoordig wordt er meer geprobeerd te differentiëren. Je probeert om leerlingen met specifieke onderwijsbehoeftes te clusteren.
Wat heb ik hiervan geleerd?
Ik heb geleerd dat je leerlingen op een bepaalde manier in groepjes kunt plaatsen waarbij je kijkt naar wat zij nodig hebben maar ook naar welke talenten zij hebben. Hierdoor probeer je voor alle leerlingen een zo goed mogelijke onderwijssituatie te creeëren met een betekenisvolle context.
Wat ben ik van plan met deze kennis/inzichten te gaan doen?
Ik ben van plan om in mijn stage te gaan kijken welke leerlingen ik in groepjes mee naar de gang zou kunnen nemen om hen extra instructie te geven naast de klassikale instructie.
Toepassingskaart 1 en 2
Toepassingskaart 3: Hersenvriendelijke les
Toepassingskaart 3
Hersenvriendelijke les
Een ontzettend leuk boekje dus en zeker voor deze klas! Het is heel visueel door de grote, uitgebreide plaatjes en het boekje heeft weinig tekst. Dit is voor mijn stageklas al erg fijn, omdat zij spraak- en/of taalproblemen hebben. Alleen dit al maakt het hersenvriendelijk voor hen.
Doelen voor mijzelf:
- Duidelijk en rustig voorlezen/vertellen.
- Het voorlezen interactief maken door de kinderen er bij te betrekken d.m.v. vragen stellen bijvoorbeeld.
- Alle kinderen erbij proberen te betrekken.
Doelen voor de leerlingen:
- Kunnen voorspellen waar het boek over gaat aan de hand van de voorkant en eventueel de titel.
- Tijdens het voorlezen vragen kunnen beantwoorden over het verhaal.
- Voorspellingen kunnen doen tijdens het voorlezen.
Inleiding:
Ik laat de kinderen de voorkant van het boek zien en vraag ze waar het over zou kunnen gaan: wat zie je? Daarna zeg ik dat het boekje ‘wat nu, Olivier?’ heet en vraag ik aan ze wie Olivier kan zijn.
Kern(hoe ik graag wil dat het gaat verlopen):
Daarna sla ik het boek open, deze staat tevens op een boekenstandaard waardoor ik het niet vast hoef te houden en de kinderen, onder dat ik vertel, naar de plaatjes kunnen kijken. Ik begin te vertellen en vraag bijvoorbeeld op een gegeven moment aan de kinderen: kan Olivier zijn huis nu nog zien? Daarna, als Olivier verdwaald is en hierdoor erg verdrietig is vraag ik aan de kinderen wat je zou kunnen doen als je verdwaald bent. Dan sla ik de bladzijde om en daar staat de oplossing van Olivier: hij gaat heel hard brullen! Dan kijk ik de kinderen aan en zeg: nou, brul maar eens als een beer! Als ik de bladzijde weer omsla brult Olivier nog harder, dus de kinderen ook, en nóg harder.. En de kinderen dus ook! En dan… dan hoort hij zijn papa en mama terug brullen! En zo loopt hij weer terug, langs de struik met de…… (voorspellende vraag aan de kinderen: rode blaadjes). En de boom met de…..(voorspellende vraag aan de kinderen: kromme takken). En zo kwam Olivier weer terug bij zijn papa en mama. En wat zag hij daar….?? (Voorspellende vraag aan de kinderen: het mooie gele herfstblad).
Afsluiting:
Tot slot zal ik nog met de kinderen kort over het boekje praten: wat kun je nou doen als je verdwaald ben? Knap dat Olivier zijn papa en mama weer terug vond etc.
Reflectie(hoe is het uiteindelijk verlopen):
De kinderen kwamen al gelijk met goede ideeën over wat het boek over zou kunnen gaan. In ieder geval over de herfst, want de kleuren van de bomen buiten zijn hetzelfde en nu is het ook herfst. En over een beertje. Toen ik de titel noemde kwam er gelijk iemand mee dat dat beertje Olivier heet.
Daarna sloeg ik het boek open, deze staat tevens op een boekenstandaard waardoor ik het niet vast hoef te houden en de kinderen, onder dat ik vertel, naar de plaatjes kunnen kijken. Ik begin te vertellen en vraag op een gegeven moment aan de kinderen: kan Olivier zijn huis nu nog zien? Daarna, als Olivier verdwaald is en hierdoor erg verdrietig is vraag ik aan de kinderen wat je zou kunnen doen als je verdwaald bent(hierop kwamen erg leuke reacties zoals: heel hoog in een boom klimmen!). Dan sla ik de bladzijde om en daar staat de oplossing van Olivier: hij gaat heel hard brullen! Dan kijk ik de kinderen aan en zeg: nou, brul maar eens als een beer! Dit deden ze geweldig, al waren sommigen aan het begin wel wat afwachtend. Maar als ik de bladzijde weer omsla brult Olivier nog harder, en doen de kinderen dat ook, en nóg harder.. En de kinderen dus ook! En dan… dan hoort hij zijn papa en mama terug brullen! En zo loopt hij weer terug, langs de struik met de…… (voorspellende vraag aan de kinderen: rode blaadjes). En de boom met de…..(voorspellende vraag aan de kinderen: kromme takken). En zo kwam Olivier weer terug bij zijn papa en mama. En wat zag hij daar….?? (Voorspellende vraag aan de kinderen: het mooie gele herfstblad).
Het was geweldig om te zien dat de kinderen gelijk weer muisstil waren na het brullen toen ik zei: ‘maar, oh! Wat hoort hij daar?’. Ze waren gelijk stil en zaten helemaal in het verhaal. Dit vond mijn mentor ook heel leuk om te zien!
Waarom is deze les hersenvriendelijk?
- Zoals ik al zei is het prentenboek al erg hersenvriendelijk door veel grote platen en weinig tekst.
- Daarnaast stond het boek op een boekenplank(ik hield het dus niet vast), dit is voor kinderen erg prettig omdat ze dan tijdens het vertellen van mij gewoon gelijk naar de platen kunnen kijken en niet ongeduldig hoeven te worden omdat ze het plaatje willen zien. Van te voren heb ik aan alle kinderen gevraagd of ze het zo kunnen zien.
- Ik heb de kinderen actief bij het voorlezen betrokken. Zo kunnen ze ook meedenken en dit ook uitspreken.
Toepassingskaart 4: De 1-zorgroute: rekenen
Toepassingskaart 4
De 1-zorgroute rekenen
In mijn stageklas ligt het iets ingewikkelder wat betreft groepsplannen. De Weerklank in Alphen aan den Rijn is een S.O. school, cluster 2. De niveaus van de kinderen liggen hier dus ver uit elkaar en voor elk kind zullen dus andere doelen gesteld worden. Mijn mentor heeft wel een algemeen groepsplan opgesteld voor rekenen-denken. Hierin worden drie niveaus onderscheden, van hoog naar laag zijn dat: niveau 1, niveau 2, niveau 3. Hierin worden per niveau, heel globaal een aantal doelen beschreven.
Selecteren van leerlingen met algemene en specifieke onderwijsbehoeften.
Niveau 1: L. à Bij L. is de rekenontwikkeling boven het niveau van een 4 jarige.
T. à De activiteiten op het gebied van voorbereidend rekenen zijn op goed niveau.
Niveau 2: B. à de ontwikkeling van het rekenen-denken verloopt traag, maar er zit wel vooruitgang in. Hij telt nu synchroon tot 5, daarboven zegt hij de getallen wel goed, maar wijst niet tegelijk de dingen aan zodat hij tot een ander aantal komt(asynchroon tellen). Hij begrijpt begrippen van hoog/laag, groot/klein, lang/kort.
I. àI. heeft nog moeite met het tellen tot 10 en daarboven. Synchroon tellen heeft nog aandacht nodig.
Niveau 3: S. à Tellen blijft hij erg moeilijk vinden. Hij benoemt de telwoorden nog vaak door elkaar. Synchroon tellen is ook nog te moeilijk voor hem, hij telt niet gelijk met het aanwijzen. Hij herkent nu een paar cijfersymbolen. De begrippen van grootte weet hij passief.
L. à Tellen is nog erg moeilijk voor haar. Ze telt wel mee wanneer we klassikaal of in een versje tot 5 tellen bijvoorbeeld maar zelf kan ze dit nog niet. Ze heeft een globaal besef van hoeveelheden en grootte.
Benoemen van specifieke onderwijsbehoeften.
Niveau 1: L. à Bij L. is de rekenontwikkeling boven het niveau van een 4 jarige. L. heeft soms wat meer uitdaging nodig. Op cognitief gebied is hij al erg ver, maar zijn sociaal-emotionele kant is daarentegen nog gewoon gemiddeld. Waar je voor uit moet kijken is dat dit gat niet te groot wordt, maar dat hij wel voldoende uitdaging krijgt.
T. à De activiteiten op het gebied van voorbereidend rekenen zijn op goed niveau. Wel merk je dat T. soms nog wat hulp nodig heeft, of een zetje in zijn rug. Dit zou L. hem kunnen geven, door hen samen aan de slag te laten gaan.
Niveau 2: B. à de ontwikkeling van het rekenen-denken verloopt traag, maar er zit wel vooruitgang in. Hij telt nu synchroon tot 5, daarboven zegt hij de getallen wel goed, maar wijst niet tegelijk de dingen aan zodat hij tot een ander aantal komt(asynchroon tellen). Hij begrijpt begrippen van hoog/laag, groot/klein, lang/kort. B. telt boven de vijf asynchroon, dit is op dit niveau verder niet erg. Wel is B. er klaar voor een iets hoger niveau aan te kunnen en om te beginnen aanrakend tellen tot 10.
I. àI. heeft nog moeite met het tellen tot 10 en daarboven. Synchroon tellen heeft nog aandacht nodig. Aan het synchroon tellen moet dus meer aandacht worden besteed. We moeten met haar ook aanrakend gaan tellen.
Niveau 3: S. à Tellen blijft hij erg moeilijk vinden. Hij benoemt de telwoorden nog vaak door elkaar. Synchroon tellen is ook nog te moeilijk voor hem, hij telt niet gelijk met het aanwijzen. Hij herkent nu een paar cijfersymbolen. De begrippen van grootte weet hij passief. S. zal vooral nog moeten tellen door middel van versjes en rustig beginnen met aanrakend tellen. Ook is het belangrijk om wat meer besef te krijgen van hoeveelheden en grootte.
Larinda à Tellen is nog erg moeilijk voor haar. Ze telt wel mee wanneer we klassikaal of in een versje tot 5 tellen bijvoorbeeld maar zelf kan ze dit nog niet. Ze heeft een globaal besef van hoeveelheden en grootte. We moeten bij haar proberen om verder te gaan met aanrakend tellen en haar besef van hoeveelheden en grootte vergroten.
Clusteren van leerlingen met gelijke specifieke onderwijsbehoeften.
Zie groepsplan.
Opstellen van het groepsplan.
| Wie? | Wat? | Hoe? |
| L.&T. | Uitdaging - een zetje in de rug. | L. heeft uitdaging nodig in het rekenen, T. heeft juist een zetje in de rug nodig. Door deze twee leerlingen bij elkaar te zetten zullen zij elkaar kunnen helpen aan hun specifieke onderwijsbehoeften. Zij werken dan op hetzelfde niveau en L. kan T. helpen en hier zijn uitdaging in vinden. Dit zal voor T. meer duidelijkheid en structuur bieden, dat is wat hij nodig heeft. |
| B.&I. | Aanrakend en synchroon tellen tot 10. | Deze leerlingen zullen beide een leerkracht nodig hebben die hen hierbij helpt. Deze leerlingen moeten dus begeleidt worden bij het aanrakend en synchroon tellen tot 10. |
| S.&L. | Tellen tot 5 als versje en besef krijgen van hoeveelheden en grootte. | Deze leerlingen zullen al veel oppikken tijdens klassikaal tellen, doormiddel van een versje bijvoorbeeld. Om meer besef te krijgen van hoeveelheden en grootte zal de leerkracht hier bij hen extra tijd aan moeten besteden door middel van werkbladen: veel-weinig, groot-klein, lang-kort etc. Hierbij zullen zij goed begeleidt moeten worden. |
Uitvoeren van het groepsplan.
Bij L. en T. zal dit langer de tijd nodig hebben. We zijn hier deels al aan begonnen maar dit is niet iets waarbij je gelijk resultaat kunt zien.
Bij B. en I. zijn we bezig met het aanrakend tellen tot 10, dit gaat steeds een stukje beter. Hierbij moet je hen wel begeleiden, als je hen met zijn tweeen laat werken komt er niet zoveel uit.
Bij S. en L. besteden wij aandacht aan de werkbladen,hiermee hebben zij vorige week gewerkt maar hieruit is wel gebleken dat je hier continue bij moet zitten en hen hierbij moet helpen. Door spraak problemen kunnen zij elkaar hier namelijk ook niet bij helpen.
Toepassingskaart 5: De 1-zorgroute: taal
Toepassingskaart 5
1-zorgroute taal
Niveau 1:
- Weet enkele klank/tekenkoppelingen. Er worden er 12 tot 14 per jaar aangeleerd. Hierbij horen ook de klankgebaren. Dit heeft alles te maken met het fonemisch bewustzijn.
- De leerlingen kunnen het verschil tussen lange en korte zinnen horen(auditieve discriminatie).
- Kan voorspellingen doen over een verhaal.
- Kan een verhaal terugvertellen(dus kan een verhaal begrijpen).
Materialen:
Drietal(Thiememeulenhoff): dit is een set van 6 spellen, methode kinderklanken, lettervormen, stempels, prentenboeken, dyslexietoets.
Niveau 2:
- De leerlingen zijn in staat rijmwoorden te herkennen en rijmwoorden te maken(klank herkenning).
- De leerlingen zijn in staat woorden in zinnen auditief te herkennen(besef hebben dat een zin bestaat uit losse woorden).
- Kan vertellen naar aanleiding van een prentenboek(ze leren dat woorden een betekenis hebben).
Materialen:
Methode Kinderklanken, methode Peuterpraat(iets makkelijker dan Kinderklanken), lettervormen, stempels, rijmspelen, prentenboeken, dyslexietoets.
Niveau 3:
- Kan plaatjes benoemen(woordenschat).
- Kan rijmpjes en versjes onthouden(klankherkenning, richting technisch lezen).
- Beschrijven wat ze zien in een prentenboek, hierdoor gaan zien dat het verhaal daarover gaat.
Materialen:
Methode Peuterpraat, Bas-platen(ook digitaal), prentenboeken, dyslexietoets.
De gebruikte toetsen:
Er worden bij mijn stageklas bijna geen toetsen afgenomen. Er worden voornamelijk observaties gebruikt. Wel wordt er twee keer per jaar een dyslexie toets afgenomen, dit omdat het gevaar voor dyslexie bij de kinderen op mijn stageschool extra groot is. Er is een toets voor groep 1 en een toets voor groep 2. In januari en in juni wordt deze afgenomen. In juni krijgen de kinderen uit groep 1 die na de zomervakantie naar groep 2 gaan de toets voor groep 2. Deze worden overigens mondeling, 1 op 1, afgenomen door de leerkracht.
Datum: ……
Hierbij krijgen ze een aantal kleuren te zien die ze moeten kunnen benoemen.
Hier krijgen ze een letterkaart te zien waarbij ze zoveel mogelijk letters moeten benoemen.
Hier moeten ze zo goed mogelijk hun naam proberen te schrijven.
Voet - bal brood - plank
Zeil - boot broek - zak
Bal - pen oor - bel
Kleur - boek hand - tas
Naam: …….
Datum: ………
1 Eerste klank van een woord: de leerkracht noemt het woord en vraagt de leerling wat de eerst klank is. (mmmama).
mama rood
soep geel
loop lamp
kop boom
neus fiets
2 Auditieve synthese: afzonderlijke klanken samenvoegen tot een woord; leerkracht zegt p-oe-s, leerling moet hiervan het woord maken.
poes boek
kam raam
sok vis
tas zak
muis kaas
3 Letterblad, hoeveel letters goed:
4 Kleurentoets, hoeveel seconden:
5 Invented spelling: eigen naam, ik, maan, bos, kip, oom, lam.
Hierbij moet de leerling dus zelf bedenken hoe het een woord moet schrijven.
De resultaten van een gemiddelde, benedengemiddelde en bovengemiddelde leerling:
Er zijn nog geen toetsresultaten bekend. Wel heb ik elk groepje een aantal keren geobserveerd.
Didactische activiteiten: auditieve trainingen per niveau groepje en groep 2 krijgt één keer in de week een half uur taal. Ook is er één keer in de week een moment waarop ze taalspelletjes uit de kast doen.
Evaluatie: om te kijken of de leerling de doelen behaald heeft wordt hij geobserveerd tijdens werklessen en auditieve trainingen. Aan de hand van een soort groepsplan zijn doelen gesteld en dit geldt dus als checklist.
Groepsplan.
Niveau | Doel: wat wil ik bereiken? | Inhoud: welke leerstof zet ik in? |
1: boven gemiddeld | - Weet enkele klank/tekenkoppelingen. Er worden er 12 tot 14 per jaar aangeleerd. Hierbij horen ook de klankgebaren. Dit heeft alles te maken met het fonemisch bewustzijn. - De leerlingen kunnen het verschil tussen lange en korte zinnen horen(auditieve discriminatie). - Kan voorspellingen doen over een verhaal. - Kan een verhaal terugvertellen(dus kan een verhaal begrijpen). | Drietal(Thiememeulenhoff): dit is een set van 6 spellen, methode kinderklanken, lettervormen, stempels, prentenboeken, dyslexietoets. |
2: gemiddeld | - De leerlingen zijn in staat rijmwoorden te herkennen en rijmwoorden te maken(klank herkenning). - De leerlingen zijn in staat woorden in zinnen auditief te herkennen(besef hebben dat een zin bestaat uit losse woorden). - Kan vertellen naar aanleiding van een prentenboek(ze leren dat woorden een betekenis hebben). | Methode Kinderklanken, methode Peuterpraat(iets makkelijker dan Kinderklanken), lettervormen, stempels, rijmspelen, prentenboeken, dyslexietoets. |
3: beneden gemiddeld | - Kan plaatjes benoemen(woordenschat). - Kan rijmpjes en versjes onthouden(klankherkenning, richting technisch lezen). - Beschrijven wat ze zien in een prentenboek, hierdoor gaan zien dat het verhaal daarover gaat. | Methode Peuterpraat, Bas-platen(ook digitaal), prentenboeken, dyslexietoets. |
Aanpak/methodiek | Evaluatie |
De leerlingen worden twee keer in de week begeleidt tijdens auditieve training. Dit groepje wordt begeleid door de leerkracht van deze klas. | Om te kijken of de leerling de doelen behaald heeft wordt hij geobserveerd tijdens werklessen en auditieve trainingen. Aan de hand van een soort groepsplan zijn doelen gesteld en dit geldt dus als checklist. |
De leerlingen worden twee keer in de week begeleidt tijdens auditieve training. Dit groepje wordt begeleid door de logopedist op school. | Om te kijken of de leerling de doelen behaald heeft wordt hij geobserveerd tijdens werklessen en auditieve trainingen. Aan de hand van een soort groepsplan zijn doelen gesteld en dit geldt dus als checklist. |
De leerlingen worden twee keer in de week begeleidt tijdens auditieve training. Dit groepje wordt begeleid door de onderwijsassistente van deze klas. | Om te kijken of de leerling de doelen behaald heeft wordt hij geobserveerd tijdens werklessen en auditieve trainingen. Aan de hand van een soort groepsplan zijn doelen gesteld en dit geldt dus als checklist. |
Toepassingskaart 6a: Ontwikkelingsmaterialen JK
Toepassingskaart 7a: Ontwikkelingsgericht onderwijs JK

Toepassingskaart 7a
Ontwikkelingsgericht onderwijs
Als we naar jonge kinderen kijken hoe de ontwikkeling verloopt, kunnen we al veel zien door het spel van het kind te observeren. Spelen is één van de belangrijkste manieren om tot ontwikkeling te komen en dus ook te leren.
Kunnen en willen spelen is voorwaarde voor alle ontwikkeling. Op school is de leerkracht ervoor om de kinderen te helpen spelen en te leren spelen.
Binnen de BASISONTWIKKELING moet er op school een samenhangend geheel zijn tussen functieontwikkeling, persoonlijkheidsontwikkeling, verkenning van de wereld en een eerste kennismaking met enkele vak- en vormingsgebieden. Dit wordt binnen de theorie van de basisontwikkeling gesymboliseerd in drie cirkels.
1. Kernactiviteiten.
Voor de onderbouw staan er vijf kernactiviteiten centraal:
1. Spelactiviteiten
Kinderen imiteren volwassenen tijdens rollenspelen. Op deze manier leren kinderen om betekenissen aan voorwerpen en situaties toe te kennen. De kinderen bepalen zelf de regels van het spel. Meestal vindt dit spel plaats in de huishoek of in de winkel. Op deze foto ziet u bijvoorbeeld dat kinderen volwassenen imiteren in het koopgedrag. Kinderen lopen op te grote schoenen, hebben kleding aangetrokken van volwassenen en ook tijdens het praten kunnen sommige volwassenen zichzelf herkennen... ICT kan in spelactiviteiten geïntegreerd worden door bijvoorbeeld een fotograaf te spelen, een verkoper die gegevens op de computer invoert, een vader die thuis aan het werken is op de computer. Allemaal ICT-geïntegreerde activiteiten. |
2. Constructieve activiteiten
| Dit zijn activiteiten die met de inzet van bepaalde materialen en middelen tot producten en constructies leiden. Deze activiteiten lijken op de spelactiviteiten maar hebben toch een eigen karakter. Het gaat nu om het laten ontstaan van een product, de vrijheid van handelen is minder groot omdat de materialen het handelen sturen. Op deze foto zijn kinderen aan het werk om een winkel na te bouwen. In deze winkel wordt niet echt gespeeld, het doel is het bouwen van de winkel. Kinderen kunnen foto's maken van deze activiteiten, foto's nabouwen. Op de computer kan een bouwtekening gemaakt worden, uitgeprint en vervolgens nagebouwd worden. |
3. Gespreksactiviteiten
| Zoals op deze foto is te zien zijn kinderen en hun leerkracht samen aan het praten over het thema, ze denken, praten en onderhandelen over het gespreksthema. Ook worden ervaringen uitgewisseld en nieuwe grenzen verkend. De gesprekken zijn meestal verbonden aan concrete handelingen of materialen. Op deze manier kunnen ook activiteiten ingeleid worden die uitgevoerd moeten worden op de computer. |
4. Lees- schrijfactiviteiten
| Deze activiteiten hebben voor de kinderen bijzonder veel waarde, omdat ze horen bij de wereld waar zij zo graag deel van uit willen maken. Lees- en schrijfactiviteiten zijn van belang om kinderen vertrouwd te maken met de geletterde maatschappij. Daarom zijn deze activiteiten ook altijd betekenisvol voor kinderen, het maakt het spel voor kinderen interessanter en rijker. Nog rijker wordt het spel als kinderen het spel van volwassenen na kunnen spelen op de computer door bijvoorbeeld brieven te schrijven. |
5. Reken-wiskunde activiteiten
| Wiskunde ligt in alle activiteiten verscholen die zich dagelijks voordoen, wanneer is bijvoorbeeld de winkel open? Is die trui te groot of te klein? Reken- en wiskunde activiteiten komen net als lezen en schrijven voort uit spelactiviteiten en de constructie/ beeldende activiteiten. |
1. Hoe zijn de verschillende basale ontwikkelingsbehoeften - de basiskenmerken - in het verslag van Peter beschreven? Geef enkele voorbeelden.
Peter heeft weinig zelfvertrouwen en is erg terughoudend. Hij heeft weinig contact met andere kinderen en ook het contact met de leerkracht was in het begin moeizaam. Doordat hij zich zo op de achtergrond opstelt, toont hij weinig interesse in de activiteiten die gedaan worden. Hij komt dus niet nieuwsgierig over. Misschien is hij dit wel, maar wordt hij tegengehouden door zijn emoties. Hij is emotioneel niet vrij en durft dus niet echt op nieuwe dingen af te stappen. Hij wacht liever af tot de leerkracht hem hierbij kan helpen.
2. Welke aspecten van de brede ontwikkeling staan in het verslag van Peter (zie cirkel van basisontwikkeling)?
Het samen spelen en werken met andere kinderen vindt Peter moeilijk, omdat hij zich erg op de achtergrond houdt. Dit geldt ook voor het communiceren. Met andere klasgenoten is dit erg moeizaam, alleen met de leerkracht is het beter. Peter is dus niet zelfstandig, omdat hij niet nieuwsgierig is naar wat er om hem heen gebeurt. Hij vindt het moeilijk om zichzelf te uiten.
3. Welke aspecten van de specifieke kennis en vaardigheden (buitenste cirkel) staan in dit verslag beschreven?
Peter heeft weinig contact met zijn medeleerlingen, zijn sociale vaardigheid is dus niet zo goed. Ook geeft de leerkracht aan dat zijn woordenschat niet zo goed ontwikkeld is. Zijn motoriek is daarentegen prima.
4. Is er in de verslaglegging samenhang waarneembaar? Geef een voorbeeld.
Ja, je ziet alle drie de cirkels terugkomen in de beschrijving en observaties. Je ziet ook doordat het in de binnenste kring niet helemaal goed zit, Peter ook moeite heeft met aspecten uit de andere twee kringen. Wel zie je dat Peter langzaam groeit, vooral op het sociale aspect en het emotioneel vrij zijn. Dit heeft een positief effect op de andere kringen. Hij speelt en werkt hierdoor meer samen en is minder afhankelijk van de leerkracht.
Toepassingskaart 8: Constructivistische les
Toepassingskaart 8
Constructivistische les
Ik ben een dromer. De dromer kijkt aandachtig hoe anderen een probleem aanpakken. Eerst goed kijken, dan pas zelf aan de slag gaan. De dromer kan zich goed inleven in verschillende situaties en kan een probleem vanuit vele standpunten bekijken. Daardoor ziet hij vaak vele oplossingen. Een dromer leert het beste als hij de tijd krijgt om na te denken: eerst nadenken, dan pas doen. Sommige dromers twijfelen vaak en komen soms langzaam tot een besluit. Ze zijn voorzichtig en nemen weinig risico’s. Door zijn fantasie en inleving legt de dromer snel verbanden tussen verschillende situaties. Dromers maken en bedenken graag, maar hebben daar tijd en ruimte voor nodig.
- Leerling L. Leerling L. is voor mij een echt dromer. Ze kan tijdens een kringgesprek helemaal afdwalen met haar gedachte. Ik heb haar geobserveerd en zag dat ze op een gegeven moment haar duim zelfs in haar mond deed. Wanneer er een vraag aan haar gesteld werd wist ze niet waar het over ging.
- Leerling H. Leerling H. is een echte doener. Een doener schiet snel in actie. Dit is bij hem zeker het geval. Als er een nieuwe werkles wordt uitgelegd op maandag dan zit hij te wiebelen op zijn stoel. Steeds staat hij op. Als ze aan de slag mogen gaat hij heel snel naar een tafel. Hij gaat aan het werk maar heeft eigenlijk altijd een aantal vragen, waarschijnlijk omdat hij te veel met wiebelen bezig was tijdens de uitleg en zo graag aan de slag wilde dat hij niet erg heeft opgelet.
- Leerling L. is voor mij een echte denker. Hij stelt vaak onderzoekende vragen als waarom en hoezo. L. is nauwkeurig tijdens zijn werk. In een kringgesprek zit L. stil en kijkt hij aandachtig. Naar mijn idee neemt hij dan alles in zich op. Uiteindelijk stelt hij altijd hele gevatte vragen.
Ik richt mijn les op leerling L, de dromer. Een dromer geef je tijd en ruimte om ervaringen te verwerken en gevoelens te uiten. Zij zal het best leren als ik de leerstof met voorbeelden(visueel)uitleg. Ik kan haar het beste geen limiet of tijdsduur opleggen, dat vinden dromers niet fijn. Dromers leren beter als je ze aanmoedigt.
Deze les is een auditieve training. Dit gebeurt in een groepje van ongeveer 4 leerlingen, waaronder L.
- Enkele klank/teken koppelingen kunnen maken.
- Een lange en een korte zin herkennen.
- Voor de dromer is het doel om ‘bij de les’ te blijven, wanneer ik haar een vraag stel hoop ik dat zij gelijk weet waar het over gaat.
Beginsituatie:
- Ze hebben deze oefeningen al vaker gedaan, het is puur een training.
Opbouw:
Tijdens de auditieve training gaan we eerst met klank/tekenkoppelingen aan de slag. Ze moeten met het spel drietal bijvoorbeeld het woord juf neerleggen, ze krijgen dan de ‘j’, de ‘u’ en de ‘f’ door elkaar en ze moeten dit op de juiste manier neerleggen. Bij L. zal ik proberen te zorgen dat ze haar aandacht erbij houdt.
Daarna gaan ze met de korte – lange zinnen aan de slag. Ik heb een korte en een lange strook, dan zeg ik een zin, deze is kort of deze is lang. De leerlingen moeten aangeven of het lang of kort is. Ik kan met mijn vinger langs de strook gaan om te controleren of het lang of kort is. Hierbij maak ik het visueel, wat voor L. als dromer erg prettig is.
Reflectie:
Ik vond de auditieve training goed gaan. Ik had dit al vaker gedaan maar zag dat het voor L. prettig was als ik het visueel maakte door bijvoorbeeld die stroken.
dinsdag 1 november 2011
Hersenen in actie 7
vrijdag 21 oktober 2011
Hersenen in actie 6
zaterdag 1 oktober 2011
Hersenen in actie rekenen II
Hersenen in actie 5
Hersenen in actie 4
vrijdag 23 september 2011
Hersenen in actie: workshop ontwikkelingsmateriaal












dinsdag 20 september 2011
Hersenen in actie 3
14 september 2011
Wat was nieuw voor me?
Vandaag kwamen er nieuwe, maar ook bekende dingen naar voren. Het is van belang dat je je onderwijs afstemt op een groepje kinderen of op een individueel kind, als leerkracht heb je hier een grote rol in. Dit spreekt bij mij voor zich. Hier ging het dus over handelingsgericht werken. De zorgroute was wel grotendeels nieuw voor mij, net als het maken van groepsplannen. Verder hebben we veel nieuwe afkortingen geleerd.
Wat heb ik daarvan geleerd?
Ik heb geleerd dat het er bij ze zorgroute, en dus bij handelingsgericht werken, om gaat dat je kijkt naar wat een kind nodig heeft en niet naar wat het probleem is. Het heeft 7 uitgangspunten, één hiervan is: het gaat om de onderwijsbehoeften van kinderen. Ook heb ik geleerd hoe je een groepsplan op kunt stellen, bijvoorbeeld voor een zwak leesgroepje.
Wat ben ik van plan met deze nieuwe kennis/inzichten te doen in mijn stage?
Ik zal eerst de klas observeren en daarna ook naar elk kind individueel gaan kijken. Ik zal dan proberen om te gaan werken met handelingsplannen, hierbij zal mijn mentor waarschijnlijk een grote rol spelen. Ik wil ook zeker aan de slag gaan met handelingsgericht werken in mijn stageklas.
Hersenen in actie: taal
8 september 2011
Wat was nieuw voor me?
Dit was een hoorcollege voor alle klassen. Het college ging over wat we met onze hersenen doen als we lezen, met name technisch lezen en: wat betekent dat voor de didactiek van aanvankelijk en technisch lezen? Sommige stukken theorie waren mij al bekend van vorig jaar, sommige stukken waren nieuw voor mij.
Wat heb ik daarvan geleerd?
Ik heb geleerd dat je twee routes hebt: een fonologische route waarbij het gaat om verklanking en een lexicale route waarbij het gaat om het toekennen van betekenis. Verder heb ik geleerd welke route een radende en spellende lezer volgt en: wat kun je hieraan doen? Hoe kun je hulp bieden aan radende en spellende lezers.
Wat ben ik van plan met deze nieuwe kennis/inzichten te doen in mijn stage?
Ik ben van plan om hiernaar goed te gaan kijken op mijn stage. Welk probleem hebben sommige leerlingen en hoe kan ik dit proberen op te lossen.
Hersenen in actie 2
6 september 2011
Vandaag was de tweede bijeenkomst. Eerst gingen we nog even terugblikken op de eerste bijeenkomst: wat was ookalweer het doel van het maken van een mindmap.
Daarna hebben we het over hersenen gehad. Hoe werkt het eigenlijk allemaal in ons brein?
Tot slot moesten we een bestaande les hersenvriendelijk gaan maken aan de hand van verschillende dingen die we deze dag geleerd hadden.
Dan nu de vragen:
