vrijdag 18 november 2011

Toepassingskaart 5: De 1-zorgroute: taal

Toepassingskaart 5

1-zorgroute taal

Gekozen leerlijn: voorbereidend lezen.

Doelen voor de groep:

Niveau 1:

- Weet enkele klank/tekenkoppelingen. Er worden er 12 tot 14 per jaar aangeleerd. Hierbij horen ook de klankgebaren. Dit heeft alles te maken met het fonemisch bewustzijn.

- De leerlingen kunnen het verschil tussen lange en korte zinnen horen(auditieve discriminatie).

- Kan voorspellingen doen over een verhaal.

- Kan een verhaal terugvertellen(dus kan een verhaal begrijpen).

Materialen:

Drietal(Thiememeulenhoff): dit is een set van 6 spellen, methode kinderklanken, lettervormen, stempels, prentenboeken, dyslexietoets.

Niveau 2:

- De leerlingen zijn in staat rijmwoorden te herkennen en rijmwoorden te maken(klank herkenning).

- De leerlingen zijn in staat woorden in zinnen auditief te herkennen(besef hebben dat een zin bestaat uit losse woorden).

- Kan vertellen naar aanleiding van een prentenboek(ze leren dat woorden een betekenis hebben).

Materialen:

Methode Kinderklanken, methode Peuterpraat(iets makkelijker dan Kinderklanken), lettervormen, stempels, rijmspelen, prentenboeken, dyslexietoets.

Niveau 3:

- Kan plaatjes benoemen(woordenschat).

- Kan rijmpjes en versjes onthouden(klankherkenning, richting technisch lezen).

- Beschrijven wat ze zien in een prentenboek, hierdoor gaan zien dat het verhaal daarover gaat.

Materialen:

Methode Peuterpraat, Bas-platen(ook digitaal), prentenboeken, dyslexietoets.

De gebruikte toetsen:

Er worden bij mijn stageklas bijna geen toetsen afgenomen. Er worden voornamelijk observaties gebruikt. Wel wordt er twee keer per jaar een dyslexie toets afgenomen, dit omdat het gevaar voor dyslexie bij de kinderen op mijn stageschool extra groot is. Er is een toets voor groep 1 en een toets voor groep 2. In januari en in juni wordt deze afgenomen. In juni krijgen de kinderen uit groep 1 die na de zomervakantie naar groep 2 gaan de toets voor groep 2. Deze worden overigens mondeling, 1 op 1, afgenomen door de leerkracht.

Dyslexietoets groep 1

Naam: ……

Datum: ……

Kleurentoets in hoeveel seconden:

Hierbij krijgen ze een aantal kleuren te zien die ze moeten kunnen benoemen.

Hoeveelheid letters:

Hier krijgen ze een letterkaart te zien waarbij ze zoveel mogelijk letters moeten benoemen.

Naam schrijven:

Hier moeten ze zo goed mogelijk hun naam proberen te schrijven.

Synthese oefening, plak de woorden aan elkaar:

Deur - bel zak - mes

Voet - bal brood - plank

Zeil - boot broek - zak

Bal - pen oor - bel

Kleur - boek hand - tas

Dyslexietoets groep 2

Naam: …….

Datum: ………

1 Eerste klank van een woord: de leerkracht noemt het woord en vraagt de leerling wat de eerst klank is. (mmmama).

mama rood

soep geel

loop lamp

kop boom

neus fiets

2 Auditieve synthese: afzonderlijke klanken samenvoegen tot een woord; leerkracht zegt p-oe-s, leerling moet hiervan het woord maken.

poes boek

kam raam

sok vis

tas zak

muis kaas

3 Letterblad, hoeveel letters goed:

4 Kleurentoets, hoeveel seconden:

5 Invented spelling: eigen naam, ik, maan, bos, kip, oom, lam.

Hierbij moet de leerling dus zelf bedenken hoe het een woord moet schrijven.


De resultaten van een gemiddelde, benedengemiddelde en bovengemiddelde leerling:

Er zijn nog geen toetsresultaten bekend. Wel heb ik elk groepje een aantal keren geobserveerd.

Didactische activiteiten: auditieve trainingen per niveau groepje en groep 2 krijgt één keer in de week een half uur taal. Ook is er één keer in de week een moment waarop ze taalspelletjes uit de kast doen.

Evaluatie: om te kijken of de leerling de doelen behaald heeft wordt hij geobserveerd tijdens werklessen en auditieve trainingen. Aan de hand van een soort groepsplan zijn doelen gesteld en dit geldt dus als checklist.

Groepsplan.

Niveau

Doel: wat wil ik bereiken?

Inhoud: welke leerstof zet ik in?

1: boven gemiddeld

- Weet enkele klank/tekenkoppelingen. Er worden er 12 tot 14 per jaar aangeleerd. Hierbij horen ook de klankgebaren. Dit heeft alles te maken met het fonemisch bewustzijn.

- De leerlingen kunnen het verschil tussen lange en korte zinnen horen(auditieve discriminatie).

- Kan voorspellingen doen over een verhaal.

- Kan een verhaal terugvertellen(dus kan een verhaal begrijpen).

Drietal(Thiememeulenhoff): dit is een set van 6 spellen, methode kinderklanken, lettervormen, stempels, prentenboeken, dyslexietoets.

2: gemiddeld

- De leerlingen zijn in staat rijmwoorden te herkennen en rijmwoorden te maken(klank herkenning).

- De leerlingen zijn in staat woorden in zinnen auditief te herkennen(besef hebben dat een zin bestaat uit losse woorden).

- Kan vertellen naar aanleiding van een prentenboek(ze leren dat woorden een betekenis hebben).

Methode Kinderklanken, methode Peuterpraat(iets makkelijker dan Kinderklanken), lettervormen, stempels, rijmspelen, prentenboeken, dyslexietoets.

3: beneden gemiddeld

- Kan plaatjes benoemen(woordenschat).

- Kan rijmpjes en versjes onthouden(klankherkenning, richting technisch lezen).

- Beschrijven wat ze zien in een prentenboek, hierdoor gaan zien dat het verhaal daarover gaat.

Methode Peuterpraat, Bas-platen(ook digitaal), prentenboeken, dyslexietoets.

Aanpak/methodiek

Evaluatie

De leerlingen worden twee keer in de week begeleidt tijdens auditieve training. Dit groepje wordt begeleid door de leerkracht van deze klas.

Om te kijken of de leerling de doelen behaald heeft wordt hij geobserveerd tijdens werklessen en auditieve trainingen. Aan de hand van een soort groepsplan zijn doelen gesteld en dit geldt dus als checklist.

De leerlingen worden twee keer in de week begeleidt tijdens auditieve training. Dit groepje wordt begeleid door de logopedist op school.

Om te kijken of de leerling de doelen behaald heeft wordt hij geobserveerd tijdens werklessen en auditieve trainingen. Aan de hand van een soort groepsplan zijn doelen gesteld en dit geldt dus als checklist.

De leerlingen worden twee keer in de week begeleidt tijdens auditieve training. Dit groepje wordt begeleid door de onderwijsassistente van deze klas.

Om te kijken of de leerling de doelen behaald heeft wordt hij geobserveerd tijdens werklessen en auditieve trainingen. Aan de hand van een soort groepsplan zijn doelen gesteld en dit geldt dus als checklist.


Hieronder is mijn poster die ik voor taal gemaakt heb:


Toepassingskaart 6a: Ontwikkelingsmaterialen JK

Deze opdracht heb ik al geplaatst in de maand september.
Het heeft als titel: 'Hersenen in actie: workshop ontwikkelingsmateriaal.'

Toepassingskaart 7a: Ontwikkelingsgericht onderwijs JK


Toepassingskaart 7a

Ontwikkelingsgericht onderwijs

1. Cirkel van basisontwikkeling.

Als we naar jonge kinderen kijken hoe de ontwikkeling verloopt, kunnen we al veel zien door het spel van het kind te observeren. Spelen is één van de belangrijkste manieren om tot ontwikkeling te komen en dus ook te leren.
Kunnen en willen spelen is voorwaarde voor alle ontwikkeling. Op school is de leerkracht ervoor om de kinderen te helpen spelen en te leren spelen.


Binnen de
BASISONTWIKKELING moet er op school een samenhangend geheel zijn tussen functieontwikkeling, persoonlijkheidsontwikkeling, verkenning van de wereld en een eerste kennismaking met enkele vak- en vormingsgebieden. Dit wordt binnen de theorie van de basisontwikkeling gesymboliseerd in drie cirkels.

In de binnenste cirkel staan de basiskenmerken, die tevens ook de doelen kunnen zijn. Een kind kan zich pas goed ontwikkelen als: het emotioneel vrij is, nieuwsgierig is en als het zelfvertrouwen heeft.

In de middelste cirkel zien we de persoonlijkheidsontwikkeling beschreven: actief zijn, uiten en vorm geven – communiceren, de wereld verkennen, voorstellingsvermogen en creativiteit, samen spelen en werken, zelfsturing, zelfstandigheid, reflecteren, redeneren en probleem oplossen.

In de buitenste cirkel zien we de gebieden van de specifieke kennis en vaardigheden: woorden en begrippen, waarnemen en ordenen, motorische vaardigheid, hoeveelheden en bewerkingen, gereedschappen en technieken, sociale vaardigheid, schematiseren en symboolvorming, geschreven en gedrukte taal.


1. Kernactiviteiten.

Voor de onderbouw staan er vijf kernactiviteiten centraal:

1. Spelactiviteiten

Kinderen imiteren volwassenen tijdens rollenspelen. Op deze manier leren kinderen om betekenissen aan voorwerpen en situaties toe te kennen. De kinderen bepalen zelf de regels van het spel. Meestal vindt dit spel plaats in de huishoek of in de winkel. Op deze foto ziet u bijvoorbeeld dat kinderen volwassenen imiteren in het koopgedrag. Kinderen lopen op te grote schoenen, hebben kleding aangetrokken van volwassenen en ook tijdens het praten kunnen sommige volwassenen zichzelf herkennen... ICT kan in spelactiviteiten geïntegreerd worden door bijvoorbeeld een fotograaf te spelen, een verkoper die gegevens op de computer invoert, een vader die thuis aan het werken is op de computer. Allemaal ICT-geïntegreerde activiteiten.

2. Constructieve activiteiten


Dit zijn activiteiten die met de inzet van bepaalde materialen en middelen tot producten en constructies leiden. Deze activiteiten lijken op de spelactiviteiten maar hebben toch een eigen karakter. Het gaat nu om het laten ontstaan van een product, de vrijheid van handelen is minder groot omdat de materialen het handelen sturen.

Op deze foto zijn kinderen aan het werk om een winkel na te bouwen. In deze winkel wordt niet echt gespeeld, het doel is het bouwen van de winkel. Kinderen kunnen foto's maken van deze activiteiten, foto's nabouwen. Op de computer kan een bouwtekening gemaakt worden, uitgeprint en vervolgens nagebouwd worden.

3. Gespreksactiviteiten


Zoals op deze foto is te zien zijn kinderen en hun leerkracht samen aan het praten over het thema, ze denken, praten en onderhandelen over het gespreksthema. Ook worden ervaringen uitgewisseld en nieuwe grenzen verkend. De gesprekken zijn meestal verbonden aan concrete handelingen of materialen. Op deze manier kunnen ook activiteiten ingeleid worden die uitgevoerd moeten worden op de computer.

4. Lees- schrijfactiviteiten


Deze activiteiten hebben voor de kinderen bijzonder veel waarde, omdat ze horen bij de wereld waar zij zo graag deel van uit willen maken. Lees- en schrijfactiviteiten zijn van belang om kinderen vertrouwd te maken met de geletterde maatschappij. Daarom zijn deze activiteiten ook altijd betekenisvol voor kinderen, het maakt het spel voor kinderen interessanter en rijker. Nog rijker wordt het spel als kinderen het spel van volwassenen na kunnen spelen op de computer door bijvoorbeeld brieven te schrijven.

5. Reken-wiskunde activiteiten


Wiskunde ligt in alle activiteiten verscholen die zich dagelijks voordoen, wanneer is bijvoorbeeld de winkel open? Is die trui te groot of te klein? Reken- en wiskunde activiteiten komen net als lezen en schrijven voort uit spelactiviteiten en de constructie/ beeldende activiteiten.
In deze winkel zijn de kinderen kleding aan het prijzen, kleding aan het passen en bezig met afrekenen. Veel reken- en wiskunde activiteiten op een spelende manier. In het onderdeel 'ICT in de praktijk' ziet u nog veel meer voorbeelden. Op de computer kunnen kinderen prijslijsten maken voor in de winkel, bouwtekeningen maken voor in de bouwhoek en deze vervolgens gebruiken bij andere activiteiten.

Tekst observatie en onderwijsconcept.

1. Hoe zijn de verschillende basale ontwikkelingsbehoeften - de basiskenmerken - in het verslag van Peter beschreven? Geef enkele voorbeelden.

Peter heeft weinig zelfvertrouwen en is erg terughoudend. Hij heeft weinig contact met andere kinderen en ook het contact met de leerkracht was in het begin moeizaam. Doordat hij zich zo op de achtergrond opstelt, toont hij weinig interesse in de activiteiten die gedaan worden. Hij komt dus niet nieuwsgierig over. Misschien is hij dit wel, maar wordt hij tegengehouden door zijn emoties. Hij is emotioneel niet vrij en durft dus niet echt op nieuwe dingen af te stappen. Hij wacht liever af tot de leerkracht hem hierbij kan helpen.

2. Welke aspecten van de brede ontwikkeling staan in het verslag van Peter (zie cirkel van basisontwikkeling)?
Het samen spelen en werken met andere kinderen vindt Peter moeilijk, omdat hij zich erg op de achtergrond houdt. Dit geldt ook voor het communiceren. Met andere klasgenoten is dit erg moeizaam, alleen met de leerkracht is het beter. Peter is dus niet zelfstandig, omdat hij niet nieuwsgierig is naar wat er om hem heen gebeurt. Hij vindt het moeilijk om zichzelf te uiten.

3. Welke aspecten van de specifieke kennis en vaardigheden (buitenste cirkel) staan in dit verslag beschreven?

Peter heeft weinig contact met zijn medeleerlingen, zijn sociale vaardigheid is dus niet zo goed. Ook geeft de leerkracht aan dat zijn woordenschat niet zo goed ontwikkeld is. Zijn motoriek is daarentegen prima.

4. Is er in de verslaglegging samenhang waarneembaar? Geef een voorbeeld.
Ja, je ziet alle drie de cirkels terugkomen in de beschrijving en observaties. Je ziet ook doordat het in de binnenste kring niet helemaal goed zit, Peter ook moeite heeft met aspecten uit de andere twee kringen. Wel zie je dat Peter langzaam groeit, vooral op het sociale aspect en het emotioneel vrij zijn. Dit heeft een positief effect op de andere kringen. Hij speelt en werkt hierdoor meer samen en is minder afhankelijk van de leerkracht.

Toepassingskaart 8: Constructivistische les

Toepassingskaart 8

Constructivistische les

Mijn eigen leerstijl.

Ik ben een dromer. De dromer kijkt aandachtig hoe anderen een probleem aanpakken. Eerst goed kijken, dan pas zelf aan de slag gaan. De dromer kan zich goed inleven in verschillende situaties en kan een probleem vanuit vele standpunten bekijken. Daardoor ziet hij vaak vele oplossingen. Een dromer leert het beste als hij de tijd krijgt om na te denken: eerst nadenken, dan pas doen. Sommige dromers twijfelen vaak en komen soms langzaam tot een besluit. Ze zijn voorzichtig en nemen weinig risico’s. Door zijn fantasie en inleving legt de dromer snel verbanden tussen verschillende situaties. Dromers maken en bedenken graag, maar hebben daar tijd en ruimte voor nodig.

Drie kinderen met een verschillende leerstijl.

- Leerling L. Leerling L. is voor mij een echt dromer. Ze kan tijdens een kringgesprek helemaal afdwalen met haar gedachte. Ik heb haar geobserveerd en zag dat ze op een gegeven moment haar duim zelfs in haar mond deed. Wanneer er een vraag aan haar gesteld werd wist ze niet waar het over ging.

- Leerling H. Leerling H. is een echte doener. Een doener schiet snel in actie. Dit is bij hem zeker het geval. Als er een nieuwe werkles wordt uitgelegd op maandag dan zit hij te wiebelen op zijn stoel. Steeds staat hij op. Als ze aan de slag mogen gaat hij heel snel naar een tafel. Hij gaat aan het werk maar heeft eigenlijk altijd een aantal vragen, waarschijnlijk omdat hij te veel met wiebelen bezig was tijdens de uitleg en zo graag aan de slag wilde dat hij niet erg heeft opgelet.

- Leerling L. is voor mij een echte denker. Hij stelt vaak onderzoekende vragen als waarom en hoezo. L. is nauwkeurig tijdens zijn werk. In een kringgesprek zit L. stil en kijkt hij aandachtig. Naar mijn idee neemt hij dan alles in zich op. Uiteindelijk stelt hij altijd hele gevatte vragen.

De constructivistische les.

Ik richt mijn les op leerling L, de dromer. Een dromer geef je tijd en ruimte om ervaringen te verwerken en gevoelens te uiten. Zij zal het best leren als ik de leerstof met voorbeelden(visueel)uitleg. Ik kan haar het beste geen limiet of tijdsduur opleggen, dat vinden dromers niet fijn. Dromers leren beter als je ze aanmoedigt.

Deze les is een auditieve training. Dit gebeurt in een groepje van ongeveer 4 leerlingen, waaronder L.

Doel:

- Enkele klank/teken koppelingen kunnen maken.

- Een lange en een korte zin herkennen.

- Voor de dromer is het doel om ‘bij de les’ te blijven, wanneer ik haar een vraag stel hoop ik dat zij gelijk weet waar het over gaat.

Beginsituatie:

- Ze hebben deze oefeningen al vaker gedaan, het is puur een training.

Opbouw:

Tijdens de auditieve training gaan we eerst met klank/tekenkoppelingen aan de slag. Ze moeten met het spel drietal bijvoorbeeld het woord juf neerleggen, ze krijgen dan de ‘j’, de ‘u’ en de ‘f’ door elkaar en ze moeten dit op de juiste manier neerleggen. Bij L. zal ik proberen te zorgen dat ze haar aandacht erbij houdt.

Daarna gaan ze met de korte – lange zinnen aan de slag. Ik heb een korte en een lange strook, dan zeg ik een zin, deze is kort of deze is lang. De leerlingen moeten aangeven of het lang of kort is. Ik kan met mijn vinger langs de strook gaan om te controleren of het lang of kort is. Hierbij maak ik het visueel, wat voor L. als dromer erg prettig is.

Reflectie:

Ik vond de auditieve training goed gaan. Ik had dit al vaker gedaan maar zag dat het voor L. prettig was als ik het visueel maakte door bijvoorbeeld die stroken.

dinsdag 1 november 2011

Hersenen in actie 7

Help je hersenen
27 oktober

Wat was nieuw voor me?
Aan het begin hebben we het gehad over: 'wat is nou goed onderwijs?'.. We hebben hierbij twee fragmentjes gelezen waarbij de juf op een andere manier reageert op een zelfde situatie. Toen ik deze fragmenten las had ik bij een bepaalde manier van reageren wel zoiets van: oja! Zo kun je er ook op reageren. Dit was dus nieuw voor mij. Omdat ik het boekje Leer als een speer al helemaal gelezen had was hier niet veel nieuws aan voor mij.

Wat heb ik daarvan geleerd?
Ik heb dus geleerd dat je op bepaalde situaties op heel verschillende manieren kunt reageren en dat er meerdere 'goede' mogelijkheden zijn. Want bij het eerste fragment vond ik het al geen verkeerde reactie maar het tweede fragment was nóg beter!

Wat ben ik van plan met deze nieuwe kennis/inzichten te gaan doen in mijn stage?
Ik zal op verschillende manieren proberen te reageren op situaties en bijvoorbeeld ook bij een vaker voorkomend 'probleem' het op verschillende manieren proberen om te kijken wat het beste werkt.

vrijdag 21 oktober 2011

Hersenen in actie 6

Talenten
5 oktober

Wat was nieuw voor me?
We hebben geleerd over de 8 intelligenties van Gardner:
1.Verbaal-linguïstisch
2.Muzikaal-ritmisch
3.Intrapersoonlijk
4.Interpersoonlijk
5.Lichamelijk-kinesthetisch
6.Visueel-ruimtelijk
7.Logisch-Mathematisch
8.Naturalistisch-ecologisch
Hier had ik vorig jaar al wel het één en ander over gehoord maar veel was ook wel weer nieuw voor mij.

Wat heb ik daarvan geleerd?
Meten van intelligentie gebeurt vaak aan de hand van prestaties op het gebied van taal en rekenen. De vraag die dan gesteld wordt is: Hoe intelligent is dit kind?
Volgens Howard Gardner is dat de verkeerde vraag. Er zijn namelijk veel verschillende manieren om intelligent te zijn. De juiste vraag is volgens hem: Hoe is dit kind intelligent?
Iedere persoon ontwikkelt zich meestal in een aantal van deze intelligenties sterker dan in de andere. Leerlingen op school zijn dan ook op verschillende manieren 'knap'. Je kunt dus inspelen op intelligenties van kinderen. Als voorbeeld:
Een kind dat sterk naturalistisch is, voelt zich sterk aangetrokken tot planten, dieren, landschappen en natuurlijke fenomenen zoals weer, klimaat, stenen e.d. Aan deze intelligentie is ook het vermogen verbonden snel overeenkomsten en verschillen waar te nemen en te classificeren. Je doet deze kinderen een plezier door ze activiteiten te laten doen met betrekking tot het verzamelen, analyseren, bestuderen en zorgen voor planten en dieren.

Wat ben ik van plan met deze nieuwe kennis/inzichten te gaan doen in mijn stage?
Dit bovenstaande zal ik zeker proberen toe te passen in mijn stage.

zaterdag 1 oktober 2011

Hersenen in actie rekenen II

28 september

Wat was nieuw voor me?
Er werd erg veel van vorig jaar herhaald, bijvoorbeeld over rijgen, splitsen, rekenen tot 20 en rekenen tot 100. Wat wel nieuw voor mij was is dat in het S(B)O het uitstroom niveau m.b.t. rekenen een stuk lager is dan in het reguliere basisonderwijs.

Wat heb ik daarvan geleerd?
Ik heb dus veel van vorig jaar herhaald, dit was wel weer even goed om op te frissen. Maar wat ik geleerd heb is dat leerlingen in groep 8 op het S(B)O, m.b.t. rekenen, zo rond het niveau van groep 5/6 (in het regulier basisonderwijs) zitten. Ook heb ik geleerd hoe je bepaalde fouten bij kinderen met het rekenen kunt ontdekken en hoe deze tot stand komen.

Wat ben ik van plan met deze nieuwe kennis/inzichten te gaan doen in mijn stage?
Ik weet nu bij veel fouten hoe dit komt en kan hier misschien in mijn stage mee aan de slag gaan.