vrijdag 18 november 2011

Checklist hersenen in actie


Hierbij mijn checklist van het thema Hersenen in actie.

(Hieronder volgen eerst nog drie reflectie berichten van de lessen taal 2, taal 3 en rekenen 1, daarna volgen mijn toepassingskaarten!)

Hersenen in actie taal III

3 november
Wat was nieuw voor mij?
Tijdens deze les hebben wij feedback gekregen op onze posters. Dit gebeurde in groepjes van ongeveer 3 studenten. Wij hebben aan elkaar verteld hoe het groepsplan eruit ziet dat wij hebben gemaakt. Op deze manier kon je elkaar feedback geven. Ik heb hierdoor enkele nieuwe inzichten gekregen voor mijn toepassingskaart.

Wat heb ik hiervan geleerd?
Ik weet nu hoe ik mijn groepsplan voor de zorgroute van taal kan verbeteren en wat ik er nog aan moet veranderen om hem beter te maken.

Wat ben ik van plan met deze kennis/inzichten te gaan doen?
Ik ben van plan om mijn groepsplan verder te verbeteren.

Hersenen in actie taal II

21 september
Wat was nieuw voor mij?
Tijdens deze les ontvingen wij de nieuwe toepassingskaart voor de zorgroute van taal. Deze kaart hebben wij besproken en wij hebben hier een oefening omheen gedaan. Het was nieuw voor mij om goed te zien waar een groepsplan uit bestaat en welke informatie je erin terug kunt vinden.

Wat heb ik hiervan geleerd?
Ik heb van deze les geleerd hoe een groepsplan in elkaar zit en welke informatie je erin terug kunt vinden. Ook heb ik geleerd wat ik met de toepassingskaart moet gaan doen en wat er van mij verwacht wordt.

Wat ben ik van plan met deze kennis/inzichten te gaan doen?
Ik ben van plan om in mijn stageklas aan de slag te gaan met de toepassingskaart. Ik denk dat ik veel stappen nu al uit kan voeren dankzij de goede uitleg. Ook zal ik het groepsplan, dat ik al van mijn mentor heb gekregen, nu beter begrijpen.

Hersenen in actie rekenen II

21 september
Wat was nieuw voor mij?
Deze les ging over het clusteren van leerlingen met bepaalde onderwijsbehoeftes. Allereerst werd het voorbeeld gegeven van onderwijs van vroeger, vroeger werden er alleen klassikale lessen gegeven. Tegenwoordig wordt er meer geprobeerd te differentiëren. Je probeert om leerlingen met specifieke onderwijsbehoeftes te clusteren.

Wat heb ik hiervan geleerd?
Ik heb geleerd dat je leerlingen op een bepaalde manier in groepjes kunt plaatsen waarbij je kijkt naar wat zij nodig hebben maar ook naar welke talenten zij hebben. Hierdoor probeer je voor alle leerlingen een zo goed mogelijke onderwijssituatie te creeëren met een betekenisvolle context.

Wat ben ik van plan met deze kennis/inzichten te gaan doen?
Ik ben van plan om in mijn stage te gaan kijken welke leerlingen ik in groepjes mee naar de gang zou kunnen nemen om hen extra instructie te geven naast de klassikale instructie.

Toepassingskaart 1 en 2

Toepassingskaart 1 is het maken van een mindmap.
Deze heb ik al eerder op mijn blog gezet, in september al.
De titel is: 'Mindmap.'

Toepassingskaart 2 is het aanleggen van een digitale themamap(dit dus).

Toepassingskaart 3: Hersenvriendelijke les

Toepassingskaart 3

Hersenvriendelijke les

Inhoud: vandaag ga ik interactief voorlezen. Het boekje heet: Wat nu, Olivier? en is geschreven door Phyllis Root. Dit boek gaat over het volgende: het is herfst en kleuterbeer Olivier scharrelt wat in de tuin. Plotseling ziet hij een mooi geel blad. Olivier holt erachteraan, de heuvel af, helemaal naar de rand van het bos. Het blad is ineens verdwenen. Maar wat erger is: het huis van pappa en mamma ook! En daar sta je dan als kleine beer... Wat nu? Olivier begint te huilen. hij huilt steeds harder, maar dat verandert de situatie niet – hij blijft verdwaald. Dan besluit hij een keel op te zetten. Hij brult en hij brult en in de verte brullen zijn ouders terug. Zo komt Olivier veilig terug bij pappa en mamma beer. En – hé, wat is dat? Een mooi geel blad!

Een ontzettend leuk boekje dus en zeker voor deze klas! Het is heel visueel door de grote, uitgebreide plaatjes en het boekje heeft weinig tekst. Dit is voor mijn stageklas al erg fijn, omdat zij spraak- en/of taalproblemen hebben. Alleen dit al maakt het hersenvriendelijk voor hen.

Doelen voor mijzelf:

- Duidelijk en rustig voorlezen/vertellen.

- Het voorlezen interactief maken door de kinderen er bij te betrekken d.m.v. vragen stellen bijvoorbeeld.

- Alle kinderen erbij proberen te betrekken.

Doelen voor de leerlingen:

- Kunnen voorspellen waar het boek over gaat aan de hand van de voorkant en eventueel de titel.

- Tijdens het voorlezen vragen kunnen beantwoorden over het verhaal.

- Voorspellingen kunnen doen tijdens het voorlezen.

Inleiding:

Ik laat de kinderen de voorkant van het boek zien en vraag ze waar het over zou kunnen gaan: wat zie je? Daarna zeg ik dat het boekje ‘wat nu, Olivier?’ heet en vraag ik aan ze wie Olivier kan zijn.

Kern(hoe ik graag wil dat het gaat verlopen):

Daarna sla ik het boek open, deze staat tevens op een boekenstandaard waardoor ik het niet vast hoef te houden en de kinderen, onder dat ik vertel, naar de plaatjes kunnen kijken. Ik begin te vertellen en vraag bijvoorbeeld op een gegeven moment aan de kinderen: kan Olivier zijn huis nu nog zien? Daarna, als Olivier verdwaald is en hierdoor erg verdrietig is vraag ik aan de kinderen wat je zou kunnen doen als je verdwaald bent. Dan sla ik de bladzijde om en daar staat de oplossing van Olivier: hij gaat heel hard brullen! Dan kijk ik de kinderen aan en zeg: nou, brul maar eens als een beer! Als ik de bladzijde weer omsla brult Olivier nog harder, dus de kinderen ook, en nóg harder.. En de kinderen dus ook! En dan… dan hoort hij zijn papa en mama terug brullen! En zo loopt hij weer terug, langs de struik met de…… (voorspellende vraag aan de kinderen: rode blaadjes). En de boom met de…..(voorspellende vraag aan de kinderen: kromme takken). En zo kwam Olivier weer terug bij zijn papa en mama. En wat zag hij daar….?? (Voorspellende vraag aan de kinderen: het mooie gele herfstblad).

Afsluiting:

Tot slot zal ik nog met de kinderen kort over het boekje praten: wat kun je nou doen als je verdwaald ben? Knap dat Olivier zijn papa en mama weer terug vond etc.

Reflectie(hoe is het uiteindelijk verlopen):

De kinderen kwamen al gelijk met goede ideeën over wat het boek over zou kunnen gaan. In ieder geval over de herfst, want de kleuren van de bomen buiten zijn hetzelfde en nu is het ook herfst. En over een beertje. Toen ik de titel noemde kwam er gelijk iemand mee dat dat beertje Olivier heet.

Daarna sloeg ik het boek open, deze staat tevens op een boekenstandaard waardoor ik het niet vast hoef te houden en de kinderen, onder dat ik vertel, naar de plaatjes kunnen kijken. Ik begin te vertellen en vraag op een gegeven moment aan de kinderen: kan Olivier zijn huis nu nog zien? Daarna, als Olivier verdwaald is en hierdoor erg verdrietig is vraag ik aan de kinderen wat je zou kunnen doen als je verdwaald bent(hierop kwamen erg leuke reacties zoals: heel hoog in een boom klimmen!). Dan sla ik de bladzijde om en daar staat de oplossing van Olivier: hij gaat heel hard brullen! Dan kijk ik de kinderen aan en zeg: nou, brul maar eens als een beer! Dit deden ze geweldig, al waren sommigen aan het begin wel wat afwachtend. Maar als ik de bladzijde weer omsla brult Olivier nog harder, en doen de kinderen dat ook, en nóg harder.. En de kinderen dus ook! En dan… dan hoort hij zijn papa en mama terug brullen! En zo loopt hij weer terug, langs de struik met de…… (voorspellende vraag aan de kinderen: rode blaadjes). En de boom met de…..(voorspellende vraag aan de kinderen: kromme takken). En zo kwam Olivier weer terug bij zijn papa en mama. En wat zag hij daar….?? (Voorspellende vraag aan de kinderen: het mooie gele herfstblad).

Het was geweldig om te zien dat de kinderen gelijk weer muisstil waren na het brullen toen ik zei: ‘maar, oh! Wat hoort hij daar?’. Ze waren gelijk stil en zaten helemaal in het verhaal. Dit vond mijn mentor ook heel leuk om te zien!

Waarom is deze les hersenvriendelijk?

- Zoals ik al zei is het prentenboek al erg hersenvriendelijk door veel grote platen en weinig tekst.

- Daarnaast stond het boek op een boekenplank(ik hield het dus niet vast), dit is voor kinderen erg prettig omdat ze dan tijdens het vertellen van mij gewoon gelijk naar de platen kunnen kijken en niet ongeduldig hoeven te worden omdat ze het plaatje willen zien. Van te voren heb ik aan alle kinderen gevraagd of ze het zo kunnen zien.

- Ik heb de kinderen actief bij het voorlezen betrokken. Zo kunnen ze ook meedenken en dit ook uitspreken.

Toepassingskaart 4: De 1-zorgroute: rekenen

Toepassingskaart 4

De 1-zorgroute rekenen

Evalueren vorig groepsplan en verzamelen gegevens.

In mijn stageklas ligt het iets ingewikkelder wat betreft groepsplannen. De Weerklank in Alphen aan den Rijn is een S.O. school, cluster 2. De niveaus van de kinderen liggen hier dus ver uit elkaar en voor elk kind zullen dus andere doelen gesteld worden. Mijn mentor heeft wel een algemeen groepsplan opgesteld voor rekenen-denken. Hierin worden drie niveaus onderscheden, van hoog naar laag zijn dat: niveau 1, niveau 2, niveau 3. Hierin worden per niveau, heel globaal een aantal doelen beschreven.

Selecteren van leerlingen met algemene en specifieke onderwijsbehoeften.

Niveau 1: L. à Bij L. is de rekenontwikkeling boven het niveau van een 4 jarige.

T. à De activiteiten op het gebied van voorbereidend rekenen zijn op goed niveau.

Niveau 2: B. à de ontwikkeling van het rekenen-denken verloopt traag, maar er zit wel vooruitgang in. Hij telt nu synchroon tot 5, daarboven zegt hij de getallen wel goed, maar wijst niet tegelijk de dingen aan zodat hij tot een ander aantal komt(asynchroon tellen). Hij begrijpt begrippen van hoog/laag, groot/klein, lang/kort.

I. àI. heeft nog moeite met het tellen tot 10 en daarboven. Synchroon tellen heeft nog aandacht nodig.

Niveau 3: S. à Tellen blijft hij erg moeilijk vinden. Hij benoemt de telwoorden nog vaak door elkaar. Synchroon tellen is ook nog te moeilijk voor hem, hij telt niet gelijk met het aanwijzen. Hij herkent nu een paar cijfersymbolen. De begrippen van grootte weet hij passief.

L. à Tellen is nog erg moeilijk voor haar. Ze telt wel mee wanneer we klassikaal of in een versje tot 5 tellen bijvoorbeeld maar zelf kan ze dit nog niet. Ze heeft een globaal besef van hoeveelheden en grootte.

Benoemen van specifieke onderwijsbehoeften.

Niveau 1: L. à Bij L. is de rekenontwikkeling boven het niveau van een 4 jarige. L. heeft soms wat meer uitdaging nodig. Op cognitief gebied is hij al erg ver, maar zijn sociaal-emotionele kant is daarentegen nog gewoon gemiddeld. Waar je voor uit moet kijken is dat dit gat niet te groot wordt, maar dat hij wel voldoende uitdaging krijgt.

T. à De activiteiten op het gebied van voorbereidend rekenen zijn op goed niveau. Wel merk je dat T. soms nog wat hulp nodig heeft, of een zetje in zijn rug. Dit zou L. hem kunnen geven, door hen samen aan de slag te laten gaan.

Niveau 2: B. à de ontwikkeling van het rekenen-denken verloopt traag, maar er zit wel vooruitgang in. Hij telt nu synchroon tot 5, daarboven zegt hij de getallen wel goed, maar wijst niet tegelijk de dingen aan zodat hij tot een ander aantal komt(asynchroon tellen). Hij begrijpt begrippen van hoog/laag, groot/klein, lang/kort. B. telt boven de vijf asynchroon, dit is op dit niveau verder niet erg. Wel is B. er klaar voor een iets hoger niveau aan te kunnen en om te beginnen aanrakend tellen tot 10.

I. àI. heeft nog moeite met het tellen tot 10 en daarboven. Synchroon tellen heeft nog aandacht nodig. Aan het synchroon tellen moet dus meer aandacht worden besteed. We moeten met haar ook aanrakend gaan tellen.

Niveau 3: S. à Tellen blijft hij erg moeilijk vinden. Hij benoemt de telwoorden nog vaak door elkaar. Synchroon tellen is ook nog te moeilijk voor hem, hij telt niet gelijk met het aanwijzen. Hij herkent nu een paar cijfersymbolen. De begrippen van grootte weet hij passief. S. zal vooral nog moeten tellen door middel van versjes en rustig beginnen met aanrakend tellen. Ook is het belangrijk om wat meer besef te krijgen van hoeveelheden en grootte.

Larinda à Tellen is nog erg moeilijk voor haar. Ze telt wel mee wanneer we klassikaal of in een versje tot 5 tellen bijvoorbeeld maar zelf kan ze dit nog niet. Ze heeft een globaal besef van hoeveelheden en grootte. We moeten bij haar proberen om verder te gaan met aanrakend tellen en haar besef van hoeveelheden en grootte vergroten.

Clusteren van leerlingen met gelijke specifieke onderwijsbehoeften.

Zie groepsplan.

Opstellen van het groepsplan.

Wie?

Wat?

Hoe?

L.&T.

Uitdaging - een zetje in de rug.

L. heeft uitdaging nodig in het rekenen, T. heeft juist een zetje in de rug nodig. Door deze twee leerlingen bij elkaar te zetten zullen zij elkaar kunnen helpen aan hun specifieke onderwijsbehoeften.

Zij werken dan op hetzelfde niveau en L. kan T. helpen en hier zijn uitdaging in vinden. Dit zal voor T. meer duidelijkheid en structuur bieden, dat is wat hij nodig heeft.

B.&I.

Aanrakend en synchroon tellen tot 10.

Deze leerlingen zullen beide een leerkracht nodig hebben die hen hierbij helpt. Deze leerlingen moeten dus begeleidt worden bij het aanrakend en synchroon tellen tot 10.

S.&L.

Tellen tot 5 als versje en besef krijgen van hoeveelheden en grootte.

Deze leerlingen zullen al veel oppikken tijdens klassikaal tellen, doormiddel van een versje bijvoorbeeld.

Om meer besef te krijgen van hoeveelheden en grootte zal de leerkracht hier bij hen extra tijd aan moeten besteden door middel van werkbladen: veel-weinig, groot-klein, lang-kort etc. Hierbij zullen zij goed begeleidt moeten worden.

Uitvoeren van het groepsplan.

Bij L. en T. zal dit langer de tijd nodig hebben. We zijn hier deels al aan begonnen maar dit is niet iets waarbij je gelijk resultaat kunt zien.

Bij B. en I. zijn we bezig met het aanrakend tellen tot 10, dit gaat steeds een stukje beter. Hierbij moet je hen wel begeleiden, als je hen met zijn tweeen laat werken komt er niet zoveel uit.

Bij S. en L. besteden wij aandacht aan de werkbladen,hiermee hebben zij vorige week gewerkt maar hieruit is wel gebleken dat je hier continue bij moet zitten en hen hierbij moet helpen. Door spraak problemen kunnen zij elkaar hier namelijk ook niet bij helpen.